zondag 1 februari 2015

Waarom het toch hartelijk lachen is met 'Soumission' van Houellebecq


Een afgepeigerde Houellebecq herhaalde deze week dat hij met ‘Soumission’ geen islamofoob boek schreef. Nog voor de publicatie, werd hij er in bepaalde Franse media van beticht stemmen te ronselen voor het Front National. Frankrijk, dat nu massaal prat gaat op de vrijheid van meningsuiting, wist niet goed hoe het met de aangekondigde satire van Houellebecq moest omgaan.

Dat er in ‘Soumission’ een moslimpresident aan de macht komt in Frankrijk, en dat op democratische wijze, is eigenlijk niet eens de hoofdzaak van het boek. Volgens Houellebecq zijn atheïsten een ten dode opgeschreven minderheid, maar die atheïsten lezen ‘Soumission’ met veel plezier. Waarom is dit ‘what if’- verhaal meer dan een simpele provocatie of een gimmick?

De sardonische satire begint bij het hoofdpersonage. Houellebecq schreef zijn verhaal in de ik-persoon, een populaire gewoonte in de Franse roman. Wat bij een Le Clezio of een Patrick Modiano soms een tenenkrullende ‘poursuite du je’ wordt, een sterke romantisering van de persoonlijke ervaring, naar de smaak van ondergetekende. Het lijkt erop dat Houellebecq het genre geparodieerd heeft. Hij legt zijn personage ironische zinnen in de mond en laat hem opdraven in koldereske pijnlijke situaties, die zijn eenzaamheid en desinteresse blootleggen. De universiteitsprofessor van middelbare leeftijd, in relatietherapeute Rika Ponnets termen waarschijnlijk een ‘angstig-vermijdend type’, legt het elk jaar aan met een andere studente. Dat hij ouder wordt, is geen probleem, door ‘de ongelijkheid die wil dat de ouderdom het erotisch potentieel van de man zeer traag aantast, terwijl de ineenstorting zich bij de vrouw met een duizelingwekkende snelheid voltrekt, binnen enkele jaren, soms enkele maanden.’ (p.24) (Ja, ook als vrouw vind ik dit soort opmerkingen heerlijk.)

De professor beëindigt zijn seksuele relaties telkens bij het begin van het academiejaar. In zijn voornemen elke ontgoocheling te vermijden, moet hij vaststellen dat de episodische avonturen hem een gevoel van desillusie hebben bijgebracht. Gelukkig is er Youporn om de moraal op te krikken. ‘Youporn beantwoordde aan de fantasmes van de normale mannen verdeeld over het oppervlak van deze planeet, en ik was, dat werd van de eerste minuten bevestigd, een man van een absolute normaliteit. […] wat er ook van zij, ik kwam klaar, ik ook, achter mijn IMac 17 inch, alles ging dus goed.’(p.25-26) De grootstedelijke man wendt zich tot vluchtige technische lapmiddeltjes om uit de existentiële crisis te komen, en is daar, naar Houellebecqiaanse ironie, blij mee.

Houellebecq hekelt zowel het terrorisme als de angst die ervoor ontstaan is, wanneer zijn prof voor de deur van de aula drie types ziet staan: ‘twee Arabieren en een zwarte blokkeerden de doorgang, vandaag hadden ze geen wapens bij en zagen ze er eerder kalm uit, hun houding had niets bedreigends, maar ze verplichtten de anderen om voorbij hun groepje te stappen om de aula te betreden, ik moest tussenkomen’ (p.33)

Zijn vriendinnetje Myriam, waar de prof tussen de pikante scènes door een vage liefde voor heeft ontwikkeld, spreekt de paradoxale focus op sekse gebonden eigenschappen uit, de focus van een foute feministe. Ze constateert dat hij mooie nieuwe gordijnen heeft: ‘Je hebt altijd smaak gehad, enfin, voor een macho’. (p.40) Waarop hij de voordelen van het patriarchaat opsomt. De ironie zit hem in de breuk tussen het hoge en het lage register in dezelfde zin, een uitdaging voor de vertalers van dit boek. Zo zegt Myriam: ‘Je hebt een vrouwelijke gevoeligheid, abnormaal, voor decoratieve stoffen in je interieur (les tissus d’ameublement). Nochtans kleed je je nog steeds als een boer.(un plouc)’ (p.41) Na het klungelige gesprek blijft de prof achter met de sushi’s die hij voor hen beiden had besteld. Mocht er een filmisch interpretatie van het boek op til zijn, dan zie ik de prof gespeeld worden door Fabrice Luchini, de Franse acteur die steeds meer opduikt in luchtige ironische rollen met een existentieel kantje.

‘Soumission’ voorspelt grote veranderingen op politiek vlak, in 2022. De satire wil dat elk heersend politicus er aan moet geloven. Sarkozy trekt een streep onder zijn politieke carrière in 2017, nadat de UMP een historisch dieptepunt bereikt heeft. Hollande heeft twee rampzalige mandaten achter de rug. ‘ Zijn herverkiezing had hij enkel te danken aan de verwerpelijke strategie om het Front National te doen groeien, […], de pers leek vergeten te zijn dat Hollande had bestaan.’ (p114). De prof voelt zich evenveel van politiek doordrongen ‘als een badhanddoek, waarschijnlijk was dat jammer. In mijn jeugd waren de verkiezingen dan ook zo saai mogelijk, de middelmatigheid van het politieke aanbod was zelfs verrassend. Een centrumlinkse kandidaat werd verkozen, voor één of twee mandaten, al volgens zijn charisma; obscure redenen verhinderden hem een derde mandaat te vervullen; daarna werd de bevolking deze kandidaat beu en centrum-links in het algemeen, men observeerde het fenomeen van de democratische afwisseling, en de kiezers brachten een kandidaat van centrumrechts aan de macht, deze laatste ook voor één of twee mandaten, volgens zijn natuur.’ (p.50)

Het hoofdpersonage heet dan wel François, leren we uit een mailtje van Myriam, maar heeft ondanks zijn typische naam weinig voeling met zijn land. ‘Ik kende in het algemeen weinig van Frankrijk. Na mijn jeugd in Maisons-Lafitte, burgerlijke voorstad bij uitstek, had ik me in Parijs gevestigd, en ik was er nooit echt weggegaan; Ik had dit land, waar ik theoretisch gezien burger van was, nog nooit echt bezocht.’ (p.126) Vaarwel chauvinisme.

Van politiek, liefde, ambitie en vaderlandsliefde moet François het niet hebben. Toch voelt hij hoe de leegte zijn bestaan binnendringt. Hij besluit zijn studie-object, de Franse schrijver Huysmans achterna te gaan in zijn spirituele zoektocht. Net als Huysmans een eeuw eerder, neemt François zijn intrek in een klooster, maar de lyrische poëzie van broeder Jean-Pierre Longeat kan hem niet verlossen van zijn aardse ongemakken.

De nieuwe gematigde moslimpresident Mohammed Ben Abbes wordt ondertussen bewierookt door enkele van François’ contacten. De Sorbonne is overgenomen door Saoudi-Arabië, de Franse decaan heeft een polygaam huwelijk afgesloten. Die decaan had in zijn jeugd nochtans traditionalistische vrienden, maar roept hen in een artikel op om zich te verzoenen met de moslims. ‘Het was tragische, betoog hij, dat een vijandelijkheid ten opzichte van de Islam hen verhinderde deze evidentie te erkennen: ze waren, in de kern, helemaal akkoord met de moslims. Wat de verwerping van het atheïsme en het humanisme betreft, wat de noodzakelijke onderwerping van de vrouw betreft, wat de terugkeer van het patriarchaat betreft: hun strijd was op alle vlakken compleet dezelfde.’ (p.275) De toon is overduidelijk ironisch. Het zijn uiteindelijk de financiële en polygame perspectieven die François over de streep trekken. Meer dan over de Islam zegt het iets over zijn eigen leeg bestaan en manipuleerbaarheid. François is ‘onderworpen’, maar die dubbelzinnige titel slaat minder op zijn bekering tot de Islam dan op zijn leven voor de bekering. Hij was onderworpen aan de desinteresse die de moderne maatschappij kenmerkt in dit boek.

‘Soumission’ is een doordachte scherpe satire, waarbij hypocrisie in de liefde, de politiek en de academische wereld de revue passeren. Profetieën zoals chauvinisme, feminisme en atheïsme worden van hun voetstuk gehaald. De verguisde Islam krijgt een ironische plaats aan de top. Maar de echte ster van dit boek is de zoektocht van de moderne mens, die het opportunisme niet schuwt. En ja, daar valt mee te lachen, want lachen doet men het best wanneer men in de (Tijl-Uilen) spiegel kijkt.

zaterdag 24 januari 2015

Django Reinhardt leeft, in Saint-Ouen

‘U heeft kinderen’, zei ze. Ik ontkende. ‘U zal er twee krijgen, zeker en vast’, zei ze. Twee kinderen, de droom van de keizer als je er één van elk geslacht hebt, maar ik zie slaapgebrek voor mij, en duizend duplo-blokken uitgespreid over de vloer. ‘U bent verliefd en dromerig’. Ze pierde naar me, om te zien of haar woorden het gewenste effect hadden. Haar dikke wenkbrauwen vormden een front dat haar volgende inval verdedigde. ‘En u wordt 90 jaar’. Haar ogen sprongen bijna uit de kassen om me hiervan te overtuigen. De vrouw aan het tafeltje naast me lachte. De zon bescheen onze overgelaten rauwkost. Negentig jaar worden. En daarna pijnloos wegdeemsteren tijdens de middagdut. Fransen gebruiken wel eens de uitdrukking ‘je suis programmé’, wanneer ze van iets overtuigd zijn. Ik dacht, nu deze vrouw mijn lange leven heeft voorspeld, ben ik geprogrammeerd om negentig jaar te worden. Zo zal het zijn tot ik er een andere ontmoet die mijn voortijdige dood voorspelt. 

Ze vond dat ze me genoeg perspectieven had geboden voor de luttele vijf euro die ik haar had betaald. De waarzegster liet ons de achterkant van haar oversized-bontmantel zien, een mantel zoals Kate Moss hem bij Louis Vuitton heeft gevonden, maar hier hingen wat ondefinieerbare pluizen in de pels van de ooit dartele nertsen. De buren die naar het hobbelpaard en de juke-box hadden gekeken, zodat hun oor in de goede richting stond om de profetieën van de vrouw te volgen, werden selectief doof toen ze hen vroeg of ze hun toekomst mocht voorspellen. Daar stond ze nog even, een vreemde paradijsvogel uit de tijd dat deze vlooienmarkt bestond uit voddenverkopers. Zigeuners, toen ze ‘tsiganes’ heetten in plaats van ‘Roms’. De vrouwen dansten uitbundig op de jazz van hun muzikale mannen, hun meer dan eens gerecycleerde kleren zo goed uitgekozen dat ze vrijgevochten prinsessen leken.

Een van die nomaden was Django Reinhardt. Django de Sinti, Django de Belg, Django de Corsicaan, Django de Noord-Afrikaan, en uiteindelijk Django de Parisien. Maar bovenal, Django met de banjo. En de gitaar en de viool. Tot zijn twintigste kon ie geen letter lezen. Bepaald niet makkelijk wanneer je na een woningbrand, enfin, een woonwagenbrand al twee jaar in het ziekenhuis ligt.

Django. Ze wilden je been amputeren, maar je weigerde het pertinent! Je hele linkerkant lag aan flarden, jij een jonge kerel van achttien. Je maakte je het meeste zorgen om je hand, ook al wilde je het niet tonen. Ze zeiden dat je geen gitaar meer zou kunnen spelen, dat dachten ze. Je broer moest je gitaar brengen en daar ging je als een bezetene tekeer in die koele ziekenhuiskamer. Wat vonden de andere patiënten? Waren ze je gepingel snel beu, te moe om die energie te verteren? Of waren ze blij dat ze die jonge gast weer zagen lachen, dat hij hen meevoerde naar de bals die hij geanimeerd had toen zijn snorharen nog ergens ver verstopt zaten.

Het cafeetje waar je vroeger optrad, zit geprangd tussen de sjieke antiekmarkten en de barakken met sjofele matrassen. Een beetje zoals jouw leven. Je trad op, hier in die kleine bar, de toog neemt meer plaats in dan de rest, en in de grote zalen daar in het grote Amerika. Duke Ellington was een autoritaire ijdeltuit, die zijn zus huisarrest oplegde. Dat vond je spijtig. On stage waren menselijke gebreken bijzaak, jullie improviseerden erop los, broeders van de muziek. Maar je bleef het kleine broertje, de attractie die op het einde van het concert een meesterlijke improvisatie geeft, maar nooit echt bij de groep hoort. De paria. Ach, een manouche blijft nooit lang. De discipline van die Big Bands kon je toch al niet bekoren. Je miste het chaotische feest van de Puces de Saint-Ouen.

Je was aan de nazi’s ontsnapt, ze vonden je te goed om je naar de kampen te brengen, aan de Amerikaanse muziekhandel zou je ook wel ontkomen. Terug thuis, in zoverre dat jij die had. Parijs. Je zag een vreemde Vlaamse vogel, een kunstfluiter. Hij stond op een tafel in een café, de authentieke ambiance was net wat je nodig had na dat Amerikaans avontuur. Die jongen had talent. Je begeleidde zijn volkse deuntjes en je kreeg alweer gelijk: Bobbejaan Schoepen, de naam had je nooit goed kunnen uitspreken, werd een hit.

Je vond je spitsbroeder terug, Stéphane Grappelli, en je glimlachte toen je dacht aan de tijd dat hij je leerde lezen, daar in het ziekenhuis. Je hield je gitaar vast als een baby, dicht bij je schouder, net niet te dicht bij je brandende sigaret. Het was goed zo, zo goed dat je op je veertigste de rust vond om te schilderen en te vissen, in een dorpje dat bij je romantiek paste. Samois-sur-Seine, waar het water de ster is, zoals de naam doet vermoeden. Het was toen je op de beet van de snoek wachtte, dat het gevaar je van binnenin overspoelde. Je was pas 43 toen de hersenbloeding je klein kreeg. Vond je het spijtig dat je er geen negentig was geworden?

Ik dronk mijn dure Leffe leeg terwijl Tchavolo Schmitt jouw nummertje speelde. Toen passeerde ik de sjofele matrassen en de sportschoenen, de leren jekkers die de vlooienmarkt omgorden. Ik kocht een hoofdtelefoon ‘tombé du camion’ onder de brug van de périf en luisterde op mijn hotelkamer naar jouw muziek.


zaterdag 15 november 2014

Het Favoriete Spel van Leonard Cohen

Iedere rabiate Cohen-fan heeft ondertussen zijn nieuwste CD in huis gehaald. In het eerste nummer ‘Slow’ op ‘Popular problems’ heeft Cohen het over zijn aangeboren zucht naar traagheid. ‘It’s not because I’m old’ kreunt hij met enige wanhoop, om te anticiperen op het evidente argument. with you it’s got to go, with me it’s got to last’. ‘Slow’ is een erotische uitnodiging, waar alleen Cohen met zijn diep stem op zijn tachtigste nog mee wegkomt. De zelfspot, nog versterkt door het parodietje op een bluesnummer, doen je meteen glimlachen.

In het centrum van Amsterdam vond ik onlangs een stukje Engeland van vijf verdiepingen hoog. ‘Waterstones’, the home of English books. In de draai van de tweede naar de derde verdieping wachtte mijn laat verjaardagsgeschenk: ‘The Favorite Game, a novel’. Een roman van singer-songwriter Leonard Cohen.
Afrekenen lukt enkel in het Engels, daar bij Waterstones. Ik haalde mijn beste Oxford-accent boven, en mijn vriend een biljet van 20 €. See you again. Mijn vriend ploos de afdeling design uit, ik las de eerste bladzij daar in de erker van het Waterstones-torentje.

De schrijfstijl is fragmentarisch, poëtisch, beeldend. De 29-jarige Cohen had het gevoel voor ironie al in zich, toen hij eerst in het regenachtige Southampton en daarna op het Griekse eiland Hydra aan zijn roman schreef.
‘ A bullet broke into the flesh of his father’s arm as he rose out of a trench. It comforts a man with coronary thrombosis to bear a wound taken in combat’
We zien de fragiele vader, trots op zijn oorlogswonde. Een trots waaraan zijn jonge zoon zich wel eens zal ergeren. Dan de moeder, een wonde op zich.
‘His mother regarded the whole body as a scar grown over some earlier perfection which she sought in mirrors and and windows and hub-caps.’

Ouders en littekens, een psychoanalytisch begin. Al snel blijkt het eerste boek van Cohen een massa autobiografische elementen te bevatten. Het hoofdpersonage Breavman, uit de Joodse middenklasse, verliest zijn vader wanneer hij ongeveer tien is. Zijn moeder zwelgt in zelfmedelijden en uit in de volgende jaren beschuldigingen aan haar afwezige zoon. Die zoon, die poëzie schrijft en boeken en niet met zijn moeder praat. Breavmans ironie wordt van jongsaf zijn schild, de absurde gesprekken met zijn vriend Krantz zijn zwaard.
‘Krantz, is it true that we are Jewish?’
‘So it has been rumoured, Breavman.’
‘Do you feel Jewish, Krantz?’
‘Thoroughly.’
‘Do your teeth feel Jewish?’
‘Especially my teeth, to say nothing of my left ball.’

Ze zweren zich niet te laten innemen door lange auto’s, filmromantiek, het Rode Gevaar of het tijdschrift The New Yorker. In de Buick van Krantz vader rijden ze door sneeuwstormen, er rotsvast van overtuigd dat ze twee schoonheden zullen ontmoeten. De duurzame liefde is een ander paar mouwen. Zo legt de jonge Breavman het uit aan zijn liefje Shell:
‘I read that Rousseau did right to the end of his life. I guess a certain kind of creative person is like that. He works all day to discipline his imagination so it’s there he’s most at home. No real corporal women can give him the pleasures of his own creations. Shell, don’t let me scare you with what I’m saying.’

Breavman-Cohen vergaart succes met zijn poëziebundels nog voor hij naar New York trekt, naar de universiteit die hij snel zal verlaten. Cohen beschreef zijn eigen ervaring aan Colombia-university als ‘passie zonder vlees, liefde zonder climax’. Breavman bestudeert vlees en climax in New York, maar laat de lessen vallen.  In 1957 keerde Cohen naar Montreal terug om er allerlei vreemde jobs te doen. Ook Breavman gaat in de fabriek werken, maar het handwerk verveelt hem danig. Cohen analyseert het gevoel piekfijn.
‘The boredom was killing. Manual labour did not free his mind to wander at all. It numbed his mind, but the anesthesia was not sufficiently potent to deliver it from awareness. It could still recognize its bondage.’

Breavman en Krantz zetten hun laatste samenspel in op het zomerkamp, waar ze beiden monitor zijn. Ze raken het oneens over de omgang met Martin Stark, een bijzonder jongetje dat liever gras telt dan aan de spelletjes deel te nemen. Krantz slaat een burgerlijkere weg in, Breavman looft de eigenheid van het jongetje.
De enigmatische stijl van de zinnen wordt wel eens zwaar naar het einde, maar de roman blijft knap en zeer beeldend. De typische Cohen-thema’s zitten er in: seksualiteit, religie, politiek, menselijke relaties. Zijn roman is sterk autobiografisch, veel meer nog dan zijn latere songteksten. Daarom wilde zijn Canadese uitgeverij hem eerst niet uitgeven. Cohen moest er uiteindelijk drie jaar mee leuren. Op de vraag om zijn tekst duchtig in te korten antwoordde hij: ‘anyone with an ear will know I've torn apart orchestras to arrive at my straight, melodic line.’ Uiteindelijk verscheen zijn boek eerst in Engeland, in 1963.

 Breavman gebruikt een spelletje uit zijn jeugd als metafoor voor het leven. Eén van de iconische vrouwen uit zijn kindertijd, Bertha, zwaait de anderen in het rond tot ze in de verse sneeuw vliegen. Ze doen hun best om zo vreemd mogelijk neer te komen en laten een bloesem-achtig veld na met stengels van voetafdrukken. De tachtigjarige Cohen zingt: ‘Party’s over, but I’ve landed on my feet. I’m standing on this corner, where there used to be a street’.

(‘A favorite game’ is opnieuw uitgegeven bij Vintage Books, www.vintagebooks.com.
Wapen u tegen de aanlokkelijke miniatuurweergaven van al die vintage books!)



vrijdag 17 oktober 2014

Opstaan met James Brown is ook leuk in de film


Blogpostjes op het aantal van 13 laten staan is geen goed idee. Daarnaast moest ik gisteren een paar vooroordelen opgeven. Een biopic over een wereldster in de showbizz wordt snel een lichtvoetige musical, dacht ik. Ik moest helemaal op mijn stappen terugkeren toen ik Get on up over James Brown zag. Het verhaal wordt op een literaire manier getoond, weinig telling veel showing. Via flashbacks zien we hoe het karakter van Brown zich gevormd heeft. De film begint wanneer hij een gat in het plafond schiet omdat een dame het toilet gebruikt heeft in één van zijn supermarkten. Hoe het zover is kunnen komen, daar heeft de jeugd in een boshut en het stelen van een pak iets mee te maken. Mijn vrienden prille dertigers en ik hebben de Story van de jaren 70, 80 niet gelezen. We wisten niet dat James Brown zijn carrière en zijn hoofd zo gewaggeld hadden. Het verhaal had voor ons dus spannende plotwendingen. Chadwick Boseman lijkt op James Brown. Hij zet echt een straffe prestatie neer. Enig nadeel : zijn straatengels is moeilijk te verstaan en ondertitels waren er niet bij. De cinefiel moet na middernacht nog flink bij de pinken zijn. Maar geen paniek. Wat fiscale problemen en ruzies in de band later barst de muziek los in ‘Get on up’. Chadwick alias Brown schudt ons wakker in een gouden pakske. Mooiste zin uit de film: ‘We've got more funk in the trunk’!
Pas op! In de trailer lijkt het effectief alsof Get on up een lichtvoetige musical is...

Fellini en Pasolini, creatieve collega’s voor Le Notte di Cabiria

Boven de kassa’s van het filmfestival, in het Cafellini, wacht ons dezer dagen een cava van 5 Euro en een opgedirkt publiek, veelal met vrijkaartjes van het werk. Fellini had ze zwierig laten dansen en erotische confidenties laten fluisteren. Dit is natuurlijk een te clichématige interpretatie van de geesteswereld van de regisseur, even cliché als de letters die het logo vormen van het Cafellini, een typografische imitatie van zijn filmtitel Amarcord. Als je aan de doorsnee kijker vraagt wat ‘fellinaans’ voor hem betekent, dan zal hij ongetwijfeld denken aan ‘een onirische sfeer, exuberant, personages waarvan er geen enkele normaal lijkt te zijn’.

Het is de sfeer die we kennen uit Amarcord, de fragmentarische herinnering aan zijn jeugd in Rimini. Het is de duizelingwekkende eindscène van Otto e Mezzo, de parade op het circusdeuntje van Rota. En dan Roma, met al die volkse spaghettivreters en het kind dat op de tafel een obsceen lied zingt.

We vergeten Cabiria, en haar nachten. Le notte di Cabiria is Fellini’s zevende film uit 1957.  Federico is een monument van de Italiaanse cinema, een eigenzinnig genie dat zijn fantasieën doordreef en als geen ander werelden wist te scheppen uit zijn kleurrijke observaties. In de werkelijkheid hebben die magistrale genieën vaak samengewerkt. Fellini voegde als scenarioschrijver van Rosselini de peper toe aan de melancholische neorealistische cinema. Anderzijds kreeg hij voor Le notte di Cabiria de hulp van Pasolini. De twee bespraken op de set hoe ze hun script in beeld zouden omzetten. Dat script in een verlopen mapje in hun handen. Misschien komt het door Pasolini’s hand dat het verhaal geen amalgaam van beelden is, maar een duidelijke structuur heeft, een loop: de begin en de eindscène zijn een echo van elkaar.  

Cabiria is een prostituee met een erg aseksueel aura, gespeeld door Giulietta Masina, de vrouw van Fellini. Psychoanalysten zullen een vette kluif hebben aan de aseksuele afbeelding van Masina in de films van haar man, dat terwijl Fellini in zijn dromenboek afrekende met de vrouwelijke verlokkingen. Nochtans bewees Masina in Nella città l’inferno van Castellani dat ze wel degelijk een aantrekkelijke prostituee kon spelen.

Uit het dromenboek van Fellini.

 Bij de start van de film wordt Cabiria door haar minnaar in een rivier geduwd. Hij gaat ervandoor met haar handtas terwijl zij gevaarlijk naar het riool drijft.  Een paar mannen halen haar uit het water. Ze foetert en schreeuwt. Ze verbrandt Giorgio’s foto’s. De film draait om haar ontgoochelingen en veerkrachtige strijdlust. Haar kleine plezieren die telkens een contrapunt krijgen. Een groots acteur haalt haar op in de Via Veneto en neemt haar mee naar zijn huis. Ze is dolblij wanner ze een gesigneerde foto krijgt. Maar dan komt de huilende minnares van de acteur aankloppen. Hij geeft toe aan haar jammerklachten, terwijl hij Cabiria in de badkamer heeft opgesloten. Met de hond van de acteur in haar armen, kijkt ze verweesd door het sleutelgat.


Fellini’s compassie voor de kleine mens en het terugkerende thema van lijden en verlossing worden soms christelijk genoemd. Tegelijk komt de naïeve Cabiria tot een scherp inzicht in  de film: de Maagd Maria zal haar geen gratie schenken. De prostituees gaan met de kreupele oom van hun pooier naar een bedevaartsoord, waar ze huilend vergeving vragen voor hun zonden. Ze zingen en schreeuwen, hun volkse verweerde gezichten in prachtige shots. Als de pooier zijn kreupele oom beveelt zonder krukken te lopen, valt die hulpeloos neer. Cabiria schreeuwt de wrede desillusie uit. ‘We zijn niet veranderd!’

Ondanks haar groeiende argwaan en cynisme, tuint ze er telkens weer in. Ze laat zich hypnotiseren tijdens een spektakel. De hypnotiseur doet haar praten met een onzichtbare minnaar, Oscar. We zien haar verliefd over het podium dwarrelen. Na het optreden spreekt een zekere Oscar haar aan op straat, hij was onder de indruk van haar pure aard. Ze is nog kwaad om de frats van de hypnotiseur en ze scheept Oscar af, maar kan zich niet bedwingen om naar een afspraakje te gaan in het station Termini. Na tien afspraakjes vraagt hij haar ten huwelijk. Ze zegt dat hij de spot met haar drijft, maar hij is goed in zijn rol en uiteindelijk verkoopt ze haar huis aan een groep hongerlijders. Ze heeft haar schamele bezittingen ingepakt. Oscar neemt haar niet mee naar haar nieuwe adres. Hij staat erop om eerst te gaan wandelen. Als kijker voel je nattigheid. Cabiria plukt argeloos bloemen zoals toen ze gehypnotiseerd was. De scène eindigt aan een klif met een meer. Oscar vraagt haar of ze kan zwemmen. Ze vertelt dat ze ooit bijna verdronken is toen een minnaar haar in het water duwde. Opeens begint het haar te dagen dat Oscar dit ook van plan is. Zijn koortsige ogen zeggen alles. Ze valt op de grond, schreeuwt dat ze wil sterven. Uren ligt ze daar te deprimeren. In de laatste scène gaat het van pure wanhoop naar sterkte en onafhankelijkheid. Cabiria klautert het bos uit, komt terecht in een vrolijke optocht van feestvierders. Door haar tranen schemert een bescheiden glimlach, symbool voor het overwonnen  wanhoopsmoment. Die twee seconden film vatten het talent van Masina samen. Zelden een actrice zo ingetogen intens zien spelen. Het festival van Cannes bekroonde haar in ’57 voor haar prestatie. Benieuwd of men in het Caermersklooster ook een plaatsje voorzien heeft voor Cabiria.  








zaterdag 20 september 2014

Mamma Magnani, de echte Sophia Loren.

Ok, Sophia Loren wordt tachtig vandaag. En ze brengt een biografie uit, ja. Er zijn ook nog andere monumenten in die Italiaanse cinema. Het Colosseum van de film is voor mij een vrouw die over zes dagen 106 zou worden, maar fris als de dag van gisteren van je DVD spat.
ANNA MAGNANI.


Fellini mocht haar bezwangeren in Rossellini's Il Miracolo. Magnani is er een herderin en ziet de heilige Jozef in een zwerver, gespeeld door Fellini. Zijn enige rol als acteur. Hij refereert ernaar in zijn Roma, waar hij Magnani voorstelt als een grootse Italiaanse actrice. Als hij zegt: 'Mag ik u iets vragen?',antwoordt zij: 'Ik vertrouw u niet!' en sluit ze de deur. Een verwijzing naar zijn eerdere bedrog in Il Miracolo.

In Nella citta l'inferno van Renato Castellani moet ze brommen in een Romeinse gevangenis. Ze zal er het groentje Lina op het slechte pad brengen. Haar cynisme nekt haar, al heeft ze een groot hart. Ze blijft radeloos achter. Magnani staat bekend om haar melancholische schaterlach, die ze in Mamma Roma van Pasolini misschien wel het best uitspeelt. Mamma Roma is een prostituee, die haar zoon gaat ophalen ergens te lande. Jaren geleden heeft ze hem in een dorpje achtergelaten. Het weerzien verloopt stroef, maar de jongen vindt zijn draai in Rome. Tot hij wat verkeerde vrienden maakt. Hij wordt verliefd op een mannenvreetster en krijgt een portie cynisme geïnjecteerd. Als hardwerkende moeder probeert Magnani voor hem te zorgen en het lukt haar niet. Mamma Roma en haar zoon zijn duidelijk Maria en Jezus voor de door religie bezeten Pasolini.
De openingsscène is van een maniëristische schoonheid. Mamma Roma is op een trouwfeest, waar ze bruid en bruidegom al zingend confronteert met de waarheid. De bruidegom heeft meermaals naast de pot gepist bij Mamma Roma. Hij verdedigt zich in bedeesde melodieën, maar haar schaterlach heeft steeds de boventoon.

Anna Magnani was een echte vrouw, met rimpels, maar o zo verrukkelijk. Haar personages zijn hard en gevoelig, zoals dat gaat bij overlevers. Het is moeilijk om een actrice te bedenken van haar niveau in het Hollywoodiaanse landschap. Botox had ze zeker geweigerd. Ze had er luid en spottend om gelachen. Haaaahaaaahaaa.

maandag 11 augustus 2014

Alessandro Papetti in Perugia

In Perugia erg verzorgde tentoonstellingen gezien van:
- Steve McCurry: de fotograaf van het Afghaanse meisje met de griezelig groene ogen. McCurry maakte wat promofoto's in opdracht van de regio Umbriё. Technisch heel accuraat, maar de plaatjes van priesters in de stegen, ambachtsmannen en straatmuzikanten kennen we nu wel al. Wel mooi opgezet in een donkere ruimte met belichte kaders op de grond.
- In Palazzo delle Penna, een andere fotograaf, Doisneau-adept die vooral zwart-wit foto's nam van lezende mensen in Perugia-setting. Je krijgt er een hoofdtelefoon met drie radio-kanalen. Iets Hebreeuws, iets elektro en iets jazzy.
- Joseph Beuys, de borden met sjamanistische uitleg. En nog McCurry-foto's op de grond. In de kelder van het Palazzo della Penna, waar je hoofdtelefoon het niet meer doet.
- ALESSANDRO PAPETTI: Vooral deze heeft me van mijn sokken geblazen. Heel tactiel. Schildert monumentale doeken met personages. Je vergeet dat ze niet echt leven, al missen ze een hoofd en voeten.