zondag 27 juli 2014

Het nieuwe Italiaans met Virginia Woolf

Voor 64 euro kan je Italiaans leren met het Assimilboekje, inclusief vier CD’s. Het nieuwe Italiaans zonder moeite. De intuïtieve methode. Je luistert naar zinnetjes, zegt ze na, vertaalt ze. Na drie lessen kan je een aansteker vragen en zeggen dat je geen krant hebt. Je kan gastvriendelijke Italianen feliciteren met de grootte van hun living. Je kan zeggen hoe luidruchtig de kinderen tagliatelle eten. Dat het katje zich niet helemaal goed voelt omdat het verkouden is. De grammatica en de woordenschat moeten op die manier quasi onbewust in je systeem sluipen. Volgens het boekje gaat het om een natuurlijk proces. Maar. De grammaticale thema’s zijn niet zo onzichtbaar als de bedenkers van de lessen zouden willen. Neem nu de zinnetjes. ‘ La signora non trova l’ombrella. Le signore non trovano gli ombrelli.’ Met welk doel moet je je een groep dames voorstellen die allemaal tegelijk hun paraplu verloren zijn, tenzij om het meervoud van de zelfstandige naamwoorden onder de knie te krijgen.

De Roemeense theatermaker Eugène Ionesco zag de absurditeit in van die irrelevante zinnetjes, toen hij Frans leerde met hetzelfde boekje. Hij maakte er een prachtig toneelstuk mee. La Cantatrice chauve. De personages schreeuwen elkaar die zinnen toe. Het zijn dialogen zonder samenhang. De moeilijkheid van communicatie, men zegt iets anders dan wat men denkt en zo misloopt men elkaar, daar gaat het over. Tijdens mijn eerste lessen Italiaans via zelfstudie kan ik Ionesco maar niet wegdenken. Ik zie de beelden voor me van die karikaturale personages uit de DVD van La Cantratrice chauve. Bij elke zin gniffel ik.

Maar het moet gezegd, de eerste mooie woorden in het Italiaans ken ik via Assimil.  Het gaat om zoveel meer dan wat nieuwe klanken. Het Italiaans vocabularium biedt een andere blik op dagdagelijkse situaties, er gaat een nieuwe wereld open, waar de mensen anders tegen de dingen aankijken. ‘Purtroppo’, ‘helaas’, geeft aan de gemiste kans een zekere frivoliteit. Het regent, purtroppo. Je zou bijna willen dat er zich een wolkbreuk voordoet. ‘Oppure’, ‘of’, maakt de keuze tussen twee dingen gewichtiger. Zullen we gaan fietsen ‘oppure’ gaan zwemmen? Daar moet je even heel goed over nadenken. In dezelfde categorie hoort het plechtige ‘piuttosto’, ‘eerder’. Ik wil ‘piuttosto’ een koffie dan een thee, want koffie is toch gewoon zoveel beter. Veel sympathieker dan ons voorvoegsel ‘on’ ter ontkenning, is de Italiaanse zachte ‘s’: conosciuto en sconosciuto, bekend en onbekend. Of ‘fortunato’ en ‘sfortunato’, één lettertje verschil bepaalt het geluk. Wat een subtiliteit. Luister nu nog eens denkbeeldig naar onze zware, brute ‘on’ en prijs die Italianen om hun grammaticale vriendelijkheid. En dan dat grappige binnenrijm. ‘Non ti scomodi?’, ‘Stoort het je niet?’. Op de cadans van die Italiaanse zin kan je niet anders dan driemaal nee schudden, ook al stoort het je echt wel.
Na een veertigtal lessen valt de Assimilmethode uit de gratie. De te memoriseren zinnen worden steeds langer, genre ‘ Terwijl de zon achter de heuvels van de Abbruzen onderging, zijn we, zo goed en zo kwaad mogelijk, aangekomen op de Camping Montesilvano, één van de grootste campings van de Adriatische kust’. Het staat buiten kijf dat je hiermee veel woordenschat vergaart, maar het is monnikenwerk. Dus kies ik voor het echte natuurlijke proces, dat voor mij uit twee elementen bestaat. Eén, met de Italianen praten en daar heb ik nu gelukkig zes weken de tijd voor. En het tweede element: lezen in de doeltaal. Geen Assimil, maar boeken. Woorden leren is leuker als het tekstje narratief wat aan elkaar hangt.

In de boekenwinkel van Bolsena kocht ik dus L’arte di correre van Haruki Murakami. En niet de poesiё van Passolini. Murakami schrijft vrij eenvoudige zinnen en schetst herkenbare situaties. Ideaal om Italiaans mee te leren, al is het een vertaalde tekst, het is gemakkelijk te begrijpen. Hij schrijft over zijn liefde voor het lopen en het schrijven. Interessant concept, de twee zijn met elkaar verbonden. Hij begon te lopen toen hij debuteerde als schrijver om zijn zitvlees er af te rennen. De beginperiode van een artiest, zijn inlooptijd, om in het thema te blijven, is altijd het interessantste deel van de autobiografie. Daarna wordt het nogal vaak een opsomming van de geschreven boeken, gecomponeerde songs of, in het geval van Murakami, zijn gelopen marathons. Hij beschrijft al te vaak de warmte wanneer hij in Athene voor een artikel op zijn ééntje die 42 kilometer loopt. Dat hij dorst heeft ook ja, zin in een ijskoud pintje. Dat het gevaarlijk is om op straten te rennen waar de auto’s je rakelings voorbij rijden. Ik heb Murakami nooit goed begrepen. De herkenbaarheid die sommige lezers misschien fijn vinden, is me te saai. Ondanks de surrealistische elementen, die her en der in zijn verhalen opduiken, is het allemaal wat te lang uitgesponnen. Wie wil, mag me van de kwaliteiten van Murakami overtuigen. Dit boek begon voor mij zelf wat teveel op een marathon te lijken. Na 22 kilometer ben ik gestopt.

Ik voel me een litteraire snob als ik in een boekhandel in Orvieto Consigli a un aspirante scrittore koop van Virginia Woolf. Het is een verzameling essays en dagboekfragmenten over lezen en schrijven, zelfde thema, maar zoveel geïnspireerder. Virginia stelt me gerust wat mijn kritische oordeel over Murakami betreft. Volgens haar heeft de lezer twee taken: zich alles piekfijn proberen voorstellen zoals de schrijver het bedoeld had en zich een oordeel vormen over het werk. Daarbij vraagt ze zich af welk type boek het is, welke waarde het heeft, wat er goed werkt en wat niet. Dat is voor haar heel natuurlijk. Zelfs in haar tijd was er al een gigantische literaire productie, een processie van dieren, schrijft ze, en de critici hadden slechts één seconde de tijd om hun geweer te laden en te schieten, zonder te weten of het om een konijn of een tijger ging of om een koe die vreedzaam graast in de wei. Volgens mij had Virginia Woolf veel meer humor dan de film ‘The Hours’ ons doet geloven. Nicole Kidman zet een heel neurotische versie van Woolf neer, vooral gebaseerd op haar zenuwinzinkingen. Terwijl ze in de 59 jaar dat ze leefde toch vaak de rug gerecht heeft. Ze streed voor vrouwenemancipatie, tegen het fascisme en tegen haar eigen demonen, waaronder incest en haar vermeende manische depressie. Zonder neuroleptica of antidepressiva. Je zou het van minder begeven. Haar afscheidsbrief aan haar man is één van de meest genereuze liefdesbrieven uit de literatuur. De recensente Woolf lijkt me al even vrijgevig: ‘Als de auteur naast die occassionele schoten van de critici nog een andere vorm van kritiek zou krijgen, de mening van mensen die lezen omdat ze van lezen houden, op hun gemak en niet om den brode, en als die mensen hun oordeel met sympathie voor de auteur maar ook met grote strengheid zouden uitspreken, zou die auteur de kwaliteit van zijn werk dan niet kunnen verbeteren?’ Virginia schiet niet op de auteur. Ze leest om zichzelf en anderen het schrijven bij te brengen en haar strengheid komt daaruit voort. Wat hebben we vandaag geleerd? In plaats van hier op Murakami te schieten, kan ik hem beter de essays van Virginia cadeau doen. Maar sorry Haruki, je moet nog even wachten, met Virginia is het leuker Italiaans leren.




vrijdag 25 juli 2014

L’abbondanza delle forchette

Tra le forchette ci sono delle regine che vengono di un’altra epoca. Hanno messo il loro vestito di ferro più elegante con due strisce in ogni lato. Quando prendi una così nella mano per attaccare il secondo, un filetto di maiale che ha passato la sua vita cercando i tuberi nel fango, il tuo strumento per mangiare ti guarda con disapprovazione e devi un attimo sorpassare questo momento di disagio prima di imboccare il tuo pezzetto di carne diabolica. In quella situazione non hai mai più desiderato la versione più servizievole, quella in plastica, che si romperebbe volentieri il corpo per soddisfare il tuo bisogno urgente di cibo, come se fosse qualche kamikaze giapponese.
L’ora del mio appuntamento con il signore D., in una trattoria modesta della periferia di Roma, la mia forchetta era di una drittura molto razionale, che si accordava con la solita tovaglia a quadri rossi. Il signore D. prendeva il tempo per spiegare meticolosamente il suo tovagliolo sulle ginocchia e si metteva gli spaghetti sulla forchetta in tre giri uguali della mano. Mentre masticava con calma la sua pasta mi guardava senza distrarsi. ‘Hai fatto il necessario?’, mi chiedeva con una voce bassa ma decisa, come se fosse un ordine invece di una domanda.  Affermavo con un cenno debole della testa. ‘Le ore previste sono state rispettate?’ Accennavo ancora. ‘ Non ci sono stati degli imprevisti?’ Gli dicevo di no. L’occhio destro mostrava una rassicurazione quasi impercettibili, seguita da una breva scossa prima che lui cadesse per terra. Uno spaghetto le usciva dalla bocca mentre lui guardava il soffitto con una ansia crescente fino a che l’ultimo scosso lo paralizzasse per sempre. Il cuoco usciva dalla cucina e i pochi clienti si alzavano e ci abbracciavamo un attimo. Il cuoco si rallegrava di aver fatto il lavoro con la metà della dose abituale. I clienti gli dicevano di essere prudente con quegli esperimenti perché abbiamo da fare con dell’erbaccia vera.
La forchette del Signore D. era rimasta sdraiata per terra accanto alla sua mano immobile. Le quattro rebbi, che a volte si chiamano denti, puntavano al pavimento, come se lei fosse caduta imitando il suo maestro morto. Questa cosa sempre mi stupisce, che uno strumento che serve per mangiare, abbia anche dei denti. Così pensando, camminavo a casa mia con la forchetta nella mano. Appena rientrato, collocavo questa forchetta nel mio muro, in un bello spazio vuoto nel mezzo delle sue mille sorelle.




donderdag 24 juli 2014

De stad die sterft


In mijn vorige blogpost had ik het over Fellini, die voor La Strada in Bagnoregio kwam filmen. Tegenover Bagnoregio ligt het prachtige dorp Civita dat vreemd genoeg niet in La Strada voorkomt. Was het nog te kapotgeschoten door de Tweede Wereldoorlog of zou de schoonheid van Civita teveel afleiden van het verhaal? Civita lijkt wel het Purgatorio van Dante, een hoop aarde in verschillende lagen, met bovenop het paradijs. De aarde waaruit de hel gegraven is. Een drijvend hemelrijk, want de bovenste grondlagen turf zijn harder dan de onderste kleilaag. Aardbevingen en instortingen teisteren dit dorp, sinds het prille begin, de Etruskische tijd. Daarom kreeg Civita de ondertitel ‘La citta que muere’, de stervende stad. 

Dit wankel paradijs is bereikbaar via een eindeloos lange brug van 300 m. De optische illusie van stijgen en dalen verdriedubbelt die afstand. Met de auto moet je het niet proberen. De brug is hoogstens breed genoeg voor ezels, of de moderne variant, een brommer, die op het laatste steile stuk zeurderig benzine verstookt. In het midden van de brug heb je de indruk tussen de bergen te zweven. Mijn hoogtevrees voor de nochtans niet zo diepe ravijnen aan mijn weerszijden, staat het gevoel van vrijheid in de weg de eerste keer dat ik deze brug beklim. Ik moet me vastklampen aan mijn vriendin, die om haar beurt mijn arm vastneemt. Als twee leprozen schuifelen we naar boven. Noem het een soort hoogtedronkenschap in combinatie met de hitte. Mijn hersenen zijn niet bestand tegen de hoogteverschillen en willen in de lege diepte duiken. Ik denk even te zullen sterven voor de stad die sterft. Ik negeer de natuurpracht rond mij en mijn hartkloppingen en ik slaag er uiteindelijk in om de poort te bereiken, door star voor me uit te kijken. Eens ik boven kom, belonen de grillige vormen van de kalkrotsen mijn moed. Het dorp ligt in een vallei die de Tiber, in een vorig leven, nog heeft uitgeschuurd. De wind modelleert de rotsen verder, tot er eentje op een kathedraal lijkt. Schoonheid heeft een prijs, en die prijs heb ik betaald aan Civita met mijn eenmalige vertigo.

Sommige schilderijen doen je de fictie van het doek vergeten, ze doen je geloven dat die personages werkelijkheid zijn tot het kader en de museumzaal verdwijnen en je enkel kan kijken naar die blik, die gewaden. Je denkt dat de persoon op het doek zijn hoofd zal draaien en je zal aanspreken, zoals bij de Spaanse barokschilder Zurbarán. Als je die transformatie van fictie en werkelijkheid al eens hebt ervaren, dat meesterlijke bedrog van de kunstenaar, dan kan je je misschien ook inbeelden hoe het omgekeerde zich hier voordoet in Civita. Hoe de werkelijkheid hier fictie lijkt. De kalkrotsen rond het dorp, een scherpe stenen zee gevormd door de wind. Voor elkaar geschoven kartonnen borden, waar met wat kaki potlood de illusie van begroeiing op getekend is. Duizenden horizontale groeven geven aan die rotsen toch nog enig volume. Het is een gravure van een landschap, levensecht. El Greco wit en schraal donkergroen. Rotsen met het vale uiterlijk van heiligen.





zaterdag 14 juni 2014

Pareltjes van paria's uit het werk van Fellini


Focus Knack liet het ons weten. Het Filmfestival van Gent is dit jaar gewijd aan Federico Fellini. Het Caermersklooster zal een overzicht brengen van zijn werk en in het themacafé naast de Kinepolis zal een kartonnen Anita Ekberg waarschijnlijk in een fontein baden. Als onvoorwaardelijke fan wil ik het nu eens niet hebben over La Dolce Vita, Roma of het virtuoze Otto e mezzo. Hier wil ik enkele pareltjes behandelen die paria’s riskeren te worden in het oeuvre van Fellini. Ok, de eerste kent u misschien nog wel.

Tijdens mijn prille studententijd  ging ik bij een vriendin naar La Strada kijken. Ik bewonderde het artistieke interieur van de vriendin, de Guernica-stier die ze uit koperblad had gesneden, de roodgeverfde muren, de hoge plafonds, de gigantische bananenplant. Het had iets heel onafhankelijk. Ze schonk bananenthee en ik had het gevoel dat we die avond iets erg nuttig zouden doen. De grootse Italiaanse cinema exploreren. La Strada gaat over de stuurse foorkramer Zampano en zijn aandoenlijk naïeve assistente Gelsomina. In die rollen een letterlijk ijzersterke Anthony Quinn, die zijn borst opzwelt en de ketens rond zijn lijf breekt. Giulieta Masina, de vrouw van Fellini, speelt Gelsomina. Zij wordt hardvochtig gedwongen om de clown te spelen in het circustoneeltje. Toch geniet ze van de nieuwe wereld die Zampano haar laat ontdekken. Als haar enige vriend, een koorddanser, een dodelijke slag krijgt van Zampano, overvalt haar een ongeneeslijke melancholie. De eindscène liet ons stil achter. Anthony Quinn die op het strand ineenstort. De enige creatuur die van hem heeft gehouden, heeft hij het leven onmogelijk gemaakt.  Een bittere verlossing, want Gelsomina bracht hem gevoel bij. Ze doorbrak uiteindelijk zijn hardvochtigheid. Dat trompetdeuntje van Nino Rota. Bijna tien jaar later zag ik La Strada terug. De ietwat larmoyante Gelsomina, nog steeds even onbevangen als tien jaar geleden. Zampano, gebaseerd op een angstaanjagende beenhouwer uit Fellini’s half verzonnen kindertijd. De charmante koorddanser die rokend viool speelt. Richard Basehart met zijn hoge stem en zijn berekende naïviteit. Fellini kon moeiteloos de kritiek pareren dat zijn film niet neo-realistisch genoeg was, dat het allemaal te sprookjesachtig was, door zijn eigen wereld door te drijven. Daar verdient hij een medaille voor artistieke moed voor. Zijn koldereske aanpak is net een meerwaarde, een abstractie van een universeel menselijk drama. In de greep zijn van een persoon die geen liefde kan geven. La Strada sprak zowel de massa als de intellectueel aan, fabrikanten wilden snoep en poppetjes maken van Gelsomina, Fellini moest er niet van weten. Hij had sympathie voor de volksmens, maar wist ook goed waar hij de lijn moest trekken. Hij kreeg een Zilveren Leeuw en een Oscar voor de film.

In Bagnoregio, een van de steden waar Fellini La Strada opnam, kon ik met de lokale kleermaker spreken die zestig jaar geleden voor Fellini had gewerkt. Het moet nog amateuristisch geweest zijn in 1954. Fellini die de kleermaker vroeg een cape te maken voor Gelsomina. Een andere dorpeling maakte de vreemde moto met aanhangwagen/leefruimte. De regisseur plukte een jongetje uit de school dat een scene moest spelen. Hij bracht zijn Felliniaanse euforie naar het dorp, dat tien jaar eerder zwaar geteisterd was door de oorlog. Dit wordt één van de thema’s van de tekst waar ik aan werk. Hopelijk na de vakantie meer hierover.

maandag 2 juni 2014

Poëzie der anatomie


ADOLPH MENZEL en HARLINDE DE MOL

Ik heb Adolphe Menzel ontdekt via Géricault. De expo in het Gentse MSK was aan de grote Theodoor gewijd, met een metershoge kopie van ‘Le Radeau de la Méduse’. Dat werk is zo enorm dat je het niet in één oogopslag kan vatten. Zo bekend van kunsthistorische boeken ook, dat mijn geestesoog er meteen diagonalen op zag verschijnen. Die ingewikkelde patronen waarvan kunsthistorici zeker weten dat de schilder ze zo bedoeld had. Al kan structuur schoon zijn, zoals we in vorige blogposts trachtten te bewijzen, Le Radeau spreekt meer tot de ratio dan het gevoel.

Maar in een aanpalend zaaltje lagen schetsen van negentiende-eeuwer Adolphe Menzel. Schetsen die de armhaartjes deden rechtveren en blik glazig maakte. Welkom Stendhalsyndroom!

Was het door zijn achondroplasie, een vorm van dwerggroei, dat Menzel zo in de anatomie geïnteresseerd was? De schets betrof een lijk dat men uit het water had opgevist. Een bijzonder fijne lijnvoering, met een toefje groen. Maar dan ook niet zo fijn uitgetekend dat het klassiek wordt. Het lichaam is omgeven door wat slordige lijnen en verder een wit vlak, alsof hij daar net uit het papier is opgedoken. Onthutsend modern, die poëtische drenkeling! Jammergenoeg niet meteen op internet terug te vinden. Onderstaande link geeft een idee, maar is toch minder overtuigend dan de MSK versie.


Menzel. De kleine man met ‘professor Lecompte’ baard keek vanachter zijn eenvoudige bril streng en treurig naar de wereld, die hem nochtans vele vriendschappen verschafte. Hij mocht de kroning van de eerste Duitse keizer William I op doek vastleggen. Volgens de Franse poëet Jules Laforgue was dit ‘laarsje hoog bedekt met oneindig veel medailles van verschillende ordes en bewoog hij zich op alle feestjes vlot als een gnoom tussen de historische personages.’ Zijn toetreding tot de Hoge Orde van de Zwarte Adelaar, de Pruisische ridderorde met het Maltese kruis, leverde hem een nobel voorzetsel op. Adoph von Menzel.

De nieuwe Hoge Orde in Gent, het kunstenaarscollectief Beeldruim, heeft een zielsverwante van Menzel in de gelederen. Harlinde De Mol. Ander voorzetsel, zelfde thematiek. Poëtische aquarellen van anonieme nimfen, ware het niet dat ze een gaatje hebben in hun buik met bijzonder fijn getekende organen, die Harlinde soms ook benoemt. In andere schetsen laat Harlinde een opgevuld zakje ik-weet-niet-wat uit die orgaantjes komen. Of wat haar. Onrustwekkend speels. Kijkt u maar zelf maar:

https://www.facebook.com/Beeldruim/photos/a.173696759396404.34557.173679746064772/478926605540083/?type=1&theater


Beeldruim exposeert zo nu en dan in Gentse hotspots als Huset, u kan het allemaal volgen op de grootste anatomische site, Facebook.

vrijdag 23 mei 2014

O schitterende structuur - Paul Auster 'City of Glass'


In de eerste aflevering van ‘O schitterende structuur’ hadden we het over Julian Barnes. Hoe die zo eenvoudig begint aan zijn verhaal om het mysterie meer geloofwaardigheid te verlenen. 

Paul Auster pakt het anders aan. Hij legt de eigenaardigheden meteen op tafel in zijn novelle City of Glass en zijn roman The Book of Illusions.  Het hoofdpersonage is tweemaal een alleenstaande man. Vrouw en kinderen zijn overleden. Deze blogpost had ook de titel ‘zaligmakende zinnen’ kunnen dragen, want Auster is de meester van de eerste zinnen. Leest u deze uit City of Glass.

It was a wrong number that started it, the telephone ringing three times in the dead of the night, and the voice on the other end asking for someone he was not.

Een klungelige verkeerd verbonden krijgt al meteen grootse dimensies door de herhaling three times, het tijdstip in the dead of the night en de persoon someone he was not. Bovenal worden we in de intrige gesleurd door de woorden that started it. Wat is er gestart, vraagt de attente lezer zich af. Magistraal hoe Auster de beginsituatie kan neerzetten. Het zou een politieromannetje kunnen zijn, maar aan de bewoordingen someone he was not in plaats van het eenvoudigere  another person of someone else, merk je dat het een doordenker wordt. We hebben geen enkele concrete informatie over het hoofdpersonage dat de telefoon opneemt. We weten alleen dat men naar iemand vroeg die hij niet was. De verwarring van het hoofdpersonage over zijn identiteit, het thema van deze novelle, wordt ons duidelijk vanaf de eerste zin. Deze verwijzing naar latere elementen in de tekst, was ook iets wat Borges goed beheerste. Het personage van de detective keert meermaals terug bij Borges. Sla me dood als Auster Borges niet heeft gelezen.

Auster voegt vrij snel een intrigerend surrealistisch element toe. De verkeerde persoon, waarnaar gevraagd wordt aan de telefoon, is niemand minder dan Paul Auster zelf. Of the Auster Detective Agency. Het hoofdpersonage, de eenzame Quinn, zal zich voordoen als Paul Auster. Iets waar literatuurwetenschappers een term als ‘meta’ voor hebben uitgevonden. De zoektocht van detective Quinn alias Paul Auster is behoorlijk surrealistisch. Peter Stillmann is zijn raaskallende klant. Peter is volledig geïsoleerd opgegroeid, want zijn vader, een vreemde professor, wou een oertaal ontdekken bij zijn zoon. Die vader wordt jaren opgesloten en komt vrij op het moment van de telefoontjes. Zijn wandelingen door New York beschrijven letters, een boodschap aan onze detective. Mooi om lezen en om verder te bestuderen, want Auster heeft de theorieën over taal en identiteit van psychoanalist Jacques Lacan in deze tekst verwerkt. Als lezer zwem je graag mee in de stroom van deze absurde novelle. De parodie op het detectiveverhaaltje wordt afgewisseld met nuchtere beschrijvingen van de personages: As for Quinn there is little that need detain us. […]  He read many books, he looked at paintings, he went to the movies. Die droge stijl maakt het verhaal aannemelijk. Als je verder denkt, lijkt elke zin betekenis te hebben: Everything about Peter Stillman was white. White shirt, open at the neck; white pants, white shoes, white socks. De man die zich niet talig kan uitdrukken en daarom volgens de Lacaniaanse theorieën geen volwaardige identiteit heeft kunnen ontwikkelen, is volledig wit. Het zijn die Borgesiaanse indicaties die het verhaal ook bij de tweede lezing zo smakelijk maken.

Terug naar het basisidee van de novelle. De schrijver als detective. Het personage dat de schrijver is en nadien ook zelf zal schrijven om het raadsel van zijn identiteit te ontwarren. De plot gaat naar een toppunt wanneer schrijver en personage elkaar ontmoeten in het laatste hoofdstukje. Deze gedachte van Quinn over Auster is hilarisch: This Auster was the first intelligent person he had spoken to in a long time. Bovendien werkt Auster aan een essay over Don Quichote, een boek met dezelfde mise en abyme. Volgens het personage Paul Auster is Don Quijote een stand-in van Cervantes, die zelf graag ridderverhalen las. Cervantes heeft dus zichzelf geportretteerd.

What better portrait of a writer than a man who has been bewitched by books, concludeert het personage Auster. Een prachtige verwijzing naar Quinn als stand-in van de schrijver Paul Auster, Quinn die betoverd wordt door het raadsel van de taal. Als Quinn het zelfportret is van Paul Auster, dan wordt Auster door zijn personages in een spinnenweb van taal en identiteit gelokt. De gelaagdheden en verwijzingen in dit boek zijn zo exquis, City of Glass is een topwijn die na de zevende lezing steeds verfijnder smaakt. En dan zou ik nog een paar masterclasses kunnen volgen over deze novelle. De structuur is zo ingenieus uitgedacht. Op zinsniveau, op woordniveau zelfs, heeft de schrijver zijn structuur en thema in gedachten. Wat zei ik, wijn? Een goedgerijpte whiskey, is deze novelle.  

vrijdag 16 mei 2014

O schitterende structuur- Julian Barnes 'The Sense of an Ending'


Bij literatuurwetenschappers is het een bekende verzuchting. Dat inzicht in de structuur van het boek maakt dat we niet meer gewoon van het verhaaltje kunnen genieten. De ratio neemt het over van de intuïtie. We lezen met de linkerhersenhelft en vergeten dat de rechterhelft ook wat wil. In mijn volgende stukjes ‘O schitterende structuur’ zal ik trachten om die aloude bewering bij te sturen. Want structuur, de werkwijze van de auteur, die schone storytelling, prikkelt onze amygdala meer dan we zelf denken. U weze gewaarschuwd, in deze stukjes kunnen wat spoilers zitten als u het boek nog niet gelezen heeft. Het is moeilijk over de schoonheid van structuur te praten zonder essentiële verhaalelementen aan te raken. Maar bij goede literatuur maken de spoilers het boek net nog aantrekkelijker, niet?

De eerste auteur die me onlangs paf liet staan, heet Julian Barnes. Zijn boek draagt een naam die elk schrijver had willen uitvinden. The Sense of an Ending, ‘het gevoel van een einde’. Twee woorden, Sense en Ending, garanderen dreiging, mysterie en misschien wel bedrog. De Nederlandse vertaling is ietwat een spoiler: Alsof het voorbij was. Hier geeft men al weg dat er onterecht aan een einde wordt gedacht, terwijl je de Engelse titel nog dubbelzinnig kan opvatten. O die ondankbare taak van het vertalen. Altijd wel een blogger die je vondst kapot analyseert. Maar we zouden het dus over de structuur hebben. Barnes begint de plot van ‘ The Sense of an Ending’ op een ogenschijnlijk banale manier. We worden ingewijd in het leven van een paar scholieren. De komst van een nieuwe leerling en diens droge antwoorden in de klas lijken net iets te herkenbaar, de taal is niet bloemrijk. Is dit het zo bejubelde boek dat we zeker moesten lezen? Het blijft maar kabbelen, de verteller krijgt een liefje en moet naar een gênante meet the parents. Tot de nieuwe leerling het liefje van de verteller overneemt. En, ogen dicht, nu komt de grootste spoiler, die nieuwe pleegt jaren later zelfmoord. Iedereen gaat ervan uit dat de zelfdoding een filosofische keuze was, de leerlingen waren nogal fan van Nietzsche en Camus. Is dat echt zo, werd een puberale interpretatie van het existentialisme die dertiger teveel? Gaandeweg begrijp je dat de herkenbare beginsituatie en de trage opbouw de absurditeit van de plot zullen dienen. Als je een ietwat surrealistisch verhaal wil vertellen op een geloofwaardige manier, dan is de storytelling een evenwichtsoefening. Barnes kiest ervoor om banaal te beginnen, wat de latere onthullingen aannemelijker maakt. Die structuur dient nog een hoger doel, waar ik bijna extatisch van wordt: de betrouwbaarheid van de herinnering. Bedriegt onze eigen herinnering ons? Zonder het thema prijs te geven, toont de auteur ons hoe het hoofdpersonage worstelt met zijn herinneringen. Korte reflecties zijn bij Barnes regels waarvoor je snel je notitieschriftje neemt. ‘It strikes me that this may be one of the differences between youth and age; when we are young, we invent different futures for ourselves; when we are old , we invent different pasts for others.’ De eenvoudige omkering zou een mooie slogan zijn op T-shirts. Bij Barnes past de zin in de storytelling, we weten maar evenveel als de verteller, ook het hoofdpersonage. We horen hem deze zin denken. Het maakt dit personage levendig en authentiek. De verhaalstructuur van The sense of an ending, van eenvoudig naar surrealistisch, staat dus in het teken van dat hogere thema: de werking van het geheugen, dat ons bij de neus neemt door vroegere ervaringen op latere momenten te projecteren, waarbij men voorbijgaat aan de evolutie die een persoon heeft doorgemaakt. Maar zelfs hiermee weet u nog bijna niets.