In Perugia erg verzorgde tentoonstellingen gezien van:
- Steve McCurry: de fotograaf van het Afghaanse meisje met de griezelig groene ogen. McCurry maakte wat promofoto's in opdracht van de regio Umbriё. Technisch heel accuraat, maar de plaatjes van priesters in de stegen, ambachtsmannen en straatmuzikanten kennen we nu wel al. Wel mooi opgezet in een donkere ruimte met belichte kaders op de grond.
- In Palazzo delle Penna, een andere fotograaf, Doisneau-adept die vooral zwart-wit foto's nam van lezende mensen in Perugia-setting. Je krijgt er een hoofdtelefoon met drie radio-kanalen. Iets Hebreeuws, iets elektro en iets jazzy.
- Joseph Beuys, de borden met sjamanistische uitleg. En nog McCurry-foto's op de grond. In de kelder van het Palazzo della Penna, waar je hoofdtelefoon het niet meer doet.
- ALESSANDRO PAPETTI: Vooral deze heeft me van mijn sokken geblazen. Heel tactiel. Schildert monumentale doeken met personages. Je vergeet dat ze niet echt leven, al missen ze een hoofd en voeten.
maandag 11 augustus 2014
donderdag 7 augustus 2014
Brief aan den John, Virginia Woolf
Inmiddels
leert Virginia Woolf me nog altijd Italiaans en andere zaken. Het essay dat ik
vandaag las, is te mooi om voor mezelf te houden. Het is een brief aan de jonge
dichter John, die niet zo goed in zijn schrijversvel zit. ‘Poёzie schrijven was
nog nooit zo moeilijk als vandaag. Alle interessante dingen komen tegenwoordig
van de romanciers’, jammert hij. Den John heeft in zijn cynische bui de neiging
om de poёzie naar de prullenbak te verwijzen.
Anno 1931. Een
oudere man in Virginia’s entourage blijft herhalen dat de kunst van het
brievenschrijven dood is. Zever, vindt Woolf. Ze is, naar eigen zeggen, door
het dolle heen met John zijn epistel, hoewel hij de streepjes aan zijn ‘t’ soms
vergeet. Aangezien de postzegels zo goedkoop zijn en John weet dat zijn brief
later verbrand zal worden, kan hij er zijn meest intieme bedenkingen en
frustraties in kwijt. Virginia prijst via een omwegje zijn eerlijkheid, die ze
mist in zijn poёzie. Voor hem is het brievenschrijven een goede oefening,
bedoelt ze.
Ze weet hoe ze een jonge dichter als John moet aanpakken en een universeler essay
schrijven is ook voor haar interessanter. Dus heeft ze het over de poёzie van
die tijd. Ze betreurt dat de gedichten nogal op het ‘ik’ gericht zijn. Zijn de
buitenwereld, de nieuwe technologie en de wetenschap zo oninteressant voor de
letteren? Een link vinden tussen de vogeltjes en de auto’s, dat zou John’s
gedichten meer elan geven. En wat meer personages, meer stemmen laten horen.
Dan verlaat ze de omwegjes en stelt ze boud: ‘Per l’amore
del cielo’, want hier spreekt ze dus Italiaans ‘non pubblicare niente prima dei
trent’anni’. Niets publiceren
voor je dertigste, jandorie!
Ik doe mijn
best om haar even Nederlands te laten spreken: ‘Ik ben er zeker van dat dit het
allerbelangrijkste is. De grootste zwaktes die ik in gedichten heb gelezen,
komen voort uit het feit dat ze al in de schijnwerper stonden voor ze rijp
genoeg waren. Die gedichten zijn van een skeletachtige stijfdeftigheid, of het
hem nu in de woorden of in de emoties zit, een stijfdeftigheid die geen kenmerk
zou mogen zijn van de jeugd. De dichter schrijft misschien erg goed voor een intelligent
publiek, maar hoeveel beter zou hij gedicht hebben als hij tien jaar lang enkel
voor zichzelf had geschreven. De jaren tussen je twintigste en dertigste zijn
sentimenteel opwindend. De regen die druppelt, een vleugel die zich openvouwt,
iemand die voorbijloopt, de meest banale geluiden en beelden duwen ons van de hoogste
toppen van onze vrolijkheid in de diepste dalen van de wanhoop. Schrijf rijmen
vol onzin, nu je zo jong bent. Wees dwaas en sentimenteel. Geef toe aan elke
impuls. Maak alle stijlfouten, faal wat syntax en smaak betreft. Zo zal je
leren schrijven. Maar als je publiceert, zal je vrijheid beperkt worden. Je zal
denken wat je publiek ervan zal denken. Je zal voor de anderen schrijven,
terwijl je enkel voor jezelf dient te schrijven. Waarom zou je die woeste
stroom aan spontaan geleuter nu beheersen, die stroom die maar enkele jaren je
goddelijke deel is, waarom? Om bestelde boekjes met experimentele verzen te
schrijven, als huiswerk? Om geld te verdienen? We weten allebei dat dat ijdele
hoop is. Om recencies te krijgen? Maar jouw vrienden zullen je veel serieuzere
en complete kritiek geven dan de eerste de beste recensent. En wat de faam
betreft, vraag ik je om eens goed naar die bekende personen te kijken, hun
profetische air en pretentie. De grootste dichters waren anonym. Denk aan Shakespeare,
die zich geen zier aantrok van zijn beroemdheid. […]’
John was
waarschijnlijk teveel een navolger van de cerebrale romantiek, waarvan hij zich
moest distantiёren om een eigenzinnig dichter te worden. Hopelijk is het hem
gelukt, want zijn achternaam wordt nergens vermeld in de brief, dus geen update
over zijn latere schrijfsels.
De herkenbaarheid
van het essay is grappig. De barrokke stijl van beginnende aspirant-schrijvers,
mezelf incluis. Maar ook de zucht van onze maatschappij naar jonge geniёen. Er
zijn natuurtalenten, zoals Bob Dylan of Patti Smith, ik noem nu misschien wat
hoogdravende namen, maar je kan er ongetwijfeld ook eentje bedenken in je
vakgebied. Soms wordt de leeftijd een argument op zich. Herinner je je Paolo Giordano nog, van de Eenzaamheid van de Priemgetallen? Hij
werd in de litteraire promobladen voorgesteld als dé ontdekking, en nog maar 26,
terwijl veel lezers zijn boek te licht bevonden. Met wat meer jaren op de
teller, bereikt hij misschien zijn echte hoogtepunt. Mijn Italiaans sprekende
Virginia had een brief aan hem kunnen richten. Mio caro Paolo.
Geef toe,
je hebt ook al eens naar de leeftijd gekeken van een persoon die je bewondert.
Wanneer heeft hij of zij zijn eerste belangrijke schilderij gemaakt, song
geschreven, zaak overgenomen? Wanneer is
hij CEO geworden? Was hij/zij ouder dan ons, oef, dan is er nog hoop. Het lijkt
een manie van onze maatschappij. En zit er niet vaak wat kopieerwerk in de
verwezenlijkingen van die jonge mensen, zoals Virginia zegt? Volgen ze hun
voorbeelden zodanig, dat het bijna een ambacht wordt in plaats van een
creatieve zoektocht? Ze had zich ongetwijfeld rotgeёrgerd aan hipsterkunst of
aan de superlatieven van de recensenten, die de jonge kunstenaar tot kopiёren
dwingen.
Terwijl ik
dit schrijf, heb ik natuurlijk schrik om van jaloezie beticht te worden. Dat ik
het ook wel zou willen, waarschijnlijk. Ontdekt worden op een leeftijd die ik
al voorbij ben, als schrijfster of schilderes, tentoonstellen in wereldsteden
en een leven leiden in Residence. Misschien. Maar die vrijheid om nog even, of
voor altijd, onzin te schrijven, om alles uit te proberen wat in je opkomt in
alle talen die je maar half beheerst, om te kliederen en te kladderen, en niemand die je daar in het eerste
het beste krantje of internetforum op afrekent, die vrijheid valt niet te
versmaden.
Zonder
mindfull te willen worden, zeg ik dankjewel Virginia, voor je ode aan de
volharding. En aan de authenticiteit. Laten we allemaal lekker rijpen in
hetgeen we maar willen.
zondag 27 juli 2014
Het nieuwe Italiaans met Virginia Woolf
Voor 64 euro kan je Italiaans leren met het Assimilboekje, inclusief
vier CD’s. Het nieuwe Italiaans zonder
moeite. De intuïtieve methode. Je luistert naar zinnetjes, zegt ze na,
vertaalt ze. Na drie lessen kan je een aansteker vragen en zeggen dat je geen
krant hebt. Je kan gastvriendelijke Italianen feliciteren met de grootte van
hun living. Je kan zeggen hoe luidruchtig de kinderen tagliatelle eten. Dat het
katje zich niet helemaal goed voelt omdat het verkouden is. De grammatica en de
woordenschat moeten op die manier quasi onbewust in je systeem sluipen. Volgens
het boekje gaat het om een natuurlijk proces. Maar. De grammaticale thema’s
zijn niet zo onzichtbaar als de bedenkers van de lessen zouden willen. Neem nu
de zinnetjes. ‘ La signora non trova l’ombrella. Le signore non trovano gli
ombrelli.’ Met welk doel moet je je een groep dames voorstellen die allemaal
tegelijk hun paraplu verloren zijn, tenzij om het meervoud van de zelfstandige
naamwoorden onder de knie te krijgen.
De Roemeense theatermaker Eugène Ionesco zag de absurditeit in van die
irrelevante zinnetjes, toen hij Frans leerde met hetzelfde boekje. Hij maakte
er een prachtig toneelstuk mee. La
Cantatrice chauve. De personages schreeuwen elkaar die zinnen toe. Het zijn
dialogen zonder samenhang. De moeilijkheid van communicatie, men zegt iets
anders dan wat men denkt en zo misloopt men elkaar, daar gaat het over. Tijdens
mijn eerste lessen Italiaans via zelfstudie kan ik Ionesco maar niet wegdenken.
Ik zie de beelden voor me van die karikaturale personages uit de DVD van La Cantratrice chauve. Bij elke zin
gniffel ik.
Maar het moet gezegd, de eerste mooie woorden in het Italiaans ken ik
via Assimil. Het gaat om zoveel meer dan
wat nieuwe klanken. Het Italiaans vocabularium biedt een andere blik op
dagdagelijkse situaties, er gaat een nieuwe wereld open, waar de mensen anders
tegen de dingen aankijken. ‘Purtroppo’, ‘helaas’, geeft aan de gemiste kans een
zekere frivoliteit. Het regent, purtroppo. Je zou bijna willen dat er zich een
wolkbreuk voordoet. ‘Oppure’, ‘of’, maakt de keuze tussen twee dingen
gewichtiger. Zullen we gaan fietsen ‘oppure’ gaan zwemmen? Daar moet je even
heel goed over nadenken. In dezelfde categorie hoort het plechtige ‘piuttosto’,
‘eerder’. Ik wil ‘piuttosto’ een koffie dan een thee, want koffie is toch
gewoon zoveel beter. Veel sympathieker dan ons voorvoegsel ‘on’ ter ontkenning,
is de Italiaanse zachte ‘s’: conosciuto en sconosciuto, bekend en onbekend. Of
‘fortunato’ en ‘sfortunato’, één lettertje verschil bepaalt het geluk. Wat een
subtiliteit. Luister nu nog eens denkbeeldig naar onze zware, brute ‘on’ en
prijs die Italianen om hun grammaticale vriendelijkheid. En dan dat grappige
binnenrijm. ‘Non ti scomodi?’, ‘Stoort het je niet?’. Op de cadans van die
Italiaanse zin kan je niet anders dan driemaal nee schudden, ook al stoort het
je echt wel.
Na een veertigtal lessen valt de Assimilmethode uit de gratie. De te
memoriseren zinnen worden steeds langer, genre ‘ Terwijl de zon achter de
heuvels van de Abbruzen onderging, zijn we, zo goed en zo kwaad mogelijk,
aangekomen op de Camping Montesilvano, één van de grootste campings van de
Adriatische kust’. Het staat buiten kijf dat je hiermee veel woordenschat
vergaart, maar het is monnikenwerk. Dus kies ik voor het echte natuurlijke proces,
dat voor mij uit twee elementen bestaat. Eén, met de Italianen praten en daar
heb ik nu gelukkig zes weken de tijd voor. En het tweede element: lezen in de
doeltaal. Geen Assimil, maar boeken. Woorden leren is leuker als het tekstje
narratief wat aan elkaar hangt.
In de boekenwinkel van Bolsena kocht ik dus L’arte di correre van Haruki Murakami. En niet de poesiё van
Passolini. Murakami schrijft vrij eenvoudige zinnen en schetst herkenbare
situaties. Ideaal om Italiaans mee te leren, al is het een vertaalde tekst, het
is gemakkelijk te begrijpen. Hij schrijft over zijn liefde voor het lopen en
het schrijven. Interessant concept, de twee zijn met elkaar verbonden. Hij
begon te lopen toen hij debuteerde als schrijver om zijn zitvlees er af te
rennen. De beginperiode van een artiest, zijn inlooptijd, om in het thema te
blijven, is altijd het interessantste deel van de autobiografie. Daarna wordt
het nogal vaak een opsomming van de geschreven boeken, gecomponeerde songs of,
in het geval van Murakami, zijn gelopen marathons. Hij beschrijft al te vaak de
warmte wanneer hij in Athene voor een artikel op zijn ééntje die 42 kilometer
loopt. Dat hij dorst heeft ook ja, zin in een ijskoud pintje. Dat het
gevaarlijk is om op straten te rennen waar de auto’s je rakelings voorbij
rijden. Ik heb Murakami nooit goed begrepen. De herkenbaarheid die sommige
lezers misschien fijn vinden, is me te saai. Ondanks de surrealistische
elementen, die her en der in zijn verhalen opduiken, is het allemaal wat te lang
uitgesponnen. Wie wil, mag me van de kwaliteiten van Murakami overtuigen. Dit
boek begon voor mij zelf wat teveel op een marathon te lijken. Na 22 kilometer
ben ik gestopt.
Ik voel me een litteraire snob als ik in een boekhandel in Orvieto Consigli a un aspirante scrittore koop
van Virginia Woolf. Het is een verzameling essays en dagboekfragmenten over
lezen en schrijven, zelfde thema, maar zoveel geïnspireerder. Virginia stelt me
gerust wat mijn kritische oordeel over Murakami betreft. Volgens haar heeft de
lezer twee taken: zich alles piekfijn proberen voorstellen zoals de schrijver
het bedoeld had en zich een oordeel vormen over het werk. Daarbij vraagt ze
zich af welk type boek het is, welke waarde het heeft, wat er goed werkt en wat
niet. Dat is voor haar heel natuurlijk. Zelfs in haar tijd was er al een
gigantische literaire productie, een processie van dieren, schrijft ze, en de
critici hadden slechts één seconde de tijd om hun geweer te laden en te
schieten, zonder te weten of het om een konijn of een tijger ging of om een koe
die vreedzaam graast in de wei. Volgens mij had Virginia Woolf veel meer humor
dan de film ‘The Hours’ ons doet geloven. Nicole Kidman zet een heel
neurotische versie van Woolf neer, vooral gebaseerd op haar zenuwinzinkingen.
Terwijl ze in de 59 jaar dat ze leefde toch vaak de rug gerecht heeft. Ze streed
voor vrouwenemancipatie, tegen het fascisme en tegen haar eigen demonen, waaronder
incest en haar vermeende manische depressie. Zonder neuroleptica of
antidepressiva. Je zou het van minder begeven. Haar afscheidsbrief aan haar man
is één van de meest genereuze liefdesbrieven uit de literatuur. De recensente
Woolf lijkt me al even vrijgevig: ‘Als de auteur naast die occassionele schoten
van de critici nog een andere vorm van kritiek zou krijgen, de mening van
mensen die lezen omdat ze van lezen houden, op hun gemak en niet om den brode,
en als die mensen hun oordeel met sympathie voor de auteur maar ook met grote
strengheid zouden uitspreken, zou die auteur de kwaliteit van zijn werk dan niet
kunnen verbeteren?’ Virginia schiet niet op de auteur. Ze leest om zichzelf en
anderen het schrijven bij te brengen en haar strengheid komt daaruit voort. Wat
hebben we vandaag geleerd? In plaats van hier op Murakami te schieten, kan ik
hem beter de essays van Virginia cadeau doen. Maar sorry Haruki, je moet nog
even wachten, met Virginia is het leuker Italiaans leren.
vrijdag 25 juli 2014
L’abbondanza delle forchette
Tra le forchette ci sono delle regine che vengono di
un’altra epoca. Hanno messo il loro vestito di ferro più elegante con due
strisce in ogni lato. Quando prendi una così nella mano per attaccare il
secondo, un filetto di maiale che ha passato la sua vita cercando i tuberi nel
fango, il tuo strumento per mangiare ti guarda con disapprovazione e devi un
attimo sorpassare questo momento di disagio prima di imboccare il tuo pezzetto
di carne diabolica. In quella situazione non hai mai più desiderato la versione
più servizievole, quella in plastica, che si romperebbe volentieri il corpo per
soddisfare il tuo bisogno urgente di cibo, come se fosse qualche kamikaze
giapponese.
L’ora del mio appuntamento con il signore D., in una
trattoria modesta della periferia di Roma, la mia forchetta era di una drittura
molto razionale, che si accordava con la solita tovaglia a quadri rossi. Il
signore D. prendeva il tempo per spiegare meticolosamente il suo tovagliolo
sulle ginocchia e si metteva gli spaghetti sulla forchetta in tre giri uguali
della mano. Mentre masticava con calma la sua pasta mi guardava senza
distrarsi. ‘Hai fatto il necessario?’, mi chiedeva con una voce bassa ma
decisa, come se fosse un ordine invece di una domanda. Affermavo con un cenno debole della testa.
‘Le ore previste sono state rispettate?’ Accennavo ancora. ‘ Non ci sono stati
degli imprevisti?’ Gli dicevo di no. L’occhio destro mostrava una rassicurazione
quasi impercettibili, seguita da una breva scossa prima che lui cadesse per
terra. Uno spaghetto le usciva dalla bocca mentre lui guardava il soffitto con
una ansia crescente fino a che l’ultimo scosso lo paralizzasse per sempre. Il
cuoco usciva dalla cucina e i pochi clienti si alzavano e ci abbracciavamo un
attimo. Il cuoco si rallegrava di aver fatto il lavoro con la metà della dose
abituale. I clienti gli dicevano di essere prudente con quegli esperimenti
perché abbiamo da fare con dell’erbaccia vera.
La forchette del Signore D. era rimasta sdraiata per terra
accanto alla sua mano immobile. Le quattro rebbi, che a volte si chiamano
denti, puntavano al pavimento, come se lei fosse caduta imitando il suo maestro
morto. Questa cosa sempre mi stupisce, che uno strumento che serve per
mangiare, abbia anche dei denti. Così pensando, camminavo a casa mia con la
forchetta nella mano. Appena rientrato, collocavo questa forchetta nel mio
muro, in un bello spazio vuoto nel mezzo delle sue mille sorelle.
donderdag 24 juli 2014
De stad die sterft
In mijn vorige blogpost had ik het over Fellini, die voor La Strada in Bagnoregio kwam filmen. Tegenover Bagnoregio ligt het prachtige dorp Civita dat vreemd genoeg niet in La Strada voorkomt. Was het nog te kapotgeschoten door de Tweede Wereldoorlog of zou de schoonheid van Civita teveel afleiden van het verhaal? Civita lijkt wel het Purgatorio van Dante, een hoop aarde in verschillende lagen, met bovenop het paradijs. De aarde waaruit de hel gegraven is. Een drijvend hemelrijk, want de bovenste grondlagen turf zijn harder dan de onderste kleilaag. Aardbevingen en instortingen teisteren dit dorp, sinds het prille begin, de Etruskische tijd. Daarom kreeg Civita de ondertitel ‘La citta que muere’, de stervende stad.
Dit wankel paradijs is bereikbaar via een eindeloos lange brug van 300 m. De optische illusie van stijgen en dalen verdriedubbelt die afstand. Met de auto moet je het niet proberen. De brug is hoogstens breed genoeg voor ezels, of de moderne variant, een brommer, die op het laatste steile stuk zeurderig benzine verstookt. In het midden van de brug heb je de indruk tussen de bergen te zweven. Mijn hoogtevrees voor de nochtans niet zo diepe ravijnen aan mijn weerszijden, staat het gevoel van vrijheid in de weg de eerste keer dat ik deze brug beklim. Ik moet me vastklampen aan mijn vriendin, die om haar beurt mijn arm vastneemt. Als twee leprozen schuifelen we naar boven. Noem het een soort hoogtedronkenschap in combinatie met de hitte. Mijn hersenen zijn niet bestand tegen de hoogteverschillen en willen in de lege diepte duiken. Ik denk even te zullen sterven voor de stad die sterft. Ik negeer de natuurpracht rond mij en mijn hartkloppingen en ik slaag er uiteindelijk in om de poort te bereiken, door star voor me uit te kijken. Eens ik boven kom, belonen de grillige vormen van de kalkrotsen mijn moed. Het dorp ligt in een vallei die de Tiber, in een vorig leven, nog heeft uitgeschuurd. De wind modelleert de rotsen verder, tot er eentje op een kathedraal lijkt. Schoonheid heeft een prijs, en die prijs heb ik betaald aan Civita met mijn eenmalige vertigo.
Sommige schilderijen doen je de fictie van het doek vergeten, ze doen je geloven dat die personages werkelijkheid zijn tot het kader en de museumzaal verdwijnen en je enkel kan kijken naar die blik, die gewaden. Je denkt dat de persoon op het doek zijn hoofd zal draaien en je zal aanspreken, zoals bij de Spaanse barokschilder Zurbarán. Als je die transformatie van fictie en werkelijkheid al eens hebt ervaren, dat meesterlijke bedrog van de kunstenaar, dan kan je je misschien ook inbeelden hoe het omgekeerde zich hier voordoet in Civita. Hoe de werkelijkheid hier fictie lijkt. De kalkrotsen rond het dorp, een scherpe stenen zee gevormd door de wind. Voor elkaar geschoven kartonnen borden, waar met wat kaki potlood de illusie van begroeiing op getekend is. Duizenden horizontale groeven geven aan die rotsen toch nog enig volume. Het is een gravure van een landschap, levensecht. El Greco wit en schraal donkergroen. Rotsen met het vale uiterlijk van heiligen.
Sommige schilderijen doen je de fictie van het doek vergeten, ze doen je geloven dat die personages werkelijkheid zijn tot het kader en de museumzaal verdwijnen en je enkel kan kijken naar die blik, die gewaden. Je denkt dat de persoon op het doek zijn hoofd zal draaien en je zal aanspreken, zoals bij de Spaanse barokschilder Zurbarán. Als je die transformatie van fictie en werkelijkheid al eens hebt ervaren, dat meesterlijke bedrog van de kunstenaar, dan kan je je misschien ook inbeelden hoe het omgekeerde zich hier voordoet in Civita. Hoe de werkelijkheid hier fictie lijkt. De kalkrotsen rond het dorp, een scherpe stenen zee gevormd door de wind. Voor elkaar geschoven kartonnen borden, waar met wat kaki potlood de illusie van begroeiing op getekend is. Duizenden horizontale groeven geven aan die rotsen toch nog enig volume. Het is een gravure van een landschap, levensecht. El Greco wit en schraal donkergroen. Rotsen met het vale uiterlijk van heiligen.
zaterdag 14 juni 2014
Pareltjes van paria's uit het werk van Fellini
Focus Knack
liet het ons weten. Het Filmfestival van Gent is dit jaar gewijd aan Federico Fellini.
Het Caermersklooster zal een overzicht brengen van zijn werk en in het themacafé
naast de Kinepolis zal een kartonnen Anita Ekberg waarschijnlijk in een fontein
baden. Als onvoorwaardelijke fan wil ik het nu eens niet hebben over La Dolce
Vita, Roma of het virtuoze Otto e mezzo. Hier wil ik enkele pareltjes behandelen
die paria’s riskeren te worden in het oeuvre van Fellini. Ok, de eerste kent u
misschien nog wel.
Tijdens mijn
prille studententijd ging ik bij een
vriendin naar La Strada kijken.
Ik bewonderde het artistieke interieur van de vriendin, de Guernica-stier die
ze uit koperblad had gesneden, de roodgeverfde muren, de hoge plafonds, de
gigantische bananenplant. Het had iets heel onafhankelijk. Ze schonk
bananenthee en ik had het gevoel dat we die avond iets erg nuttig zouden doen.
De grootse Italiaanse cinema exploreren. La
Strada gaat over de stuurse foorkramer Zampano en zijn aandoenlijk naïeve
assistente Gelsomina. In die rollen een letterlijk ijzersterke Anthony Quinn,
die zijn borst opzwelt en de ketens rond zijn lijf breekt. Giulieta Masina, de
vrouw van Fellini, speelt Gelsomina. Zij wordt hardvochtig gedwongen om de
clown te spelen in het circustoneeltje. Toch geniet ze van de nieuwe wereld die
Zampano haar laat ontdekken. Als haar enige vriend, een koorddanser, een dodelijke
slag krijgt van Zampano, overvalt haar een ongeneeslijke melancholie. De
eindscène liet ons stil achter. Anthony Quinn die op het strand ineenstort. De
enige creatuur die van hem heeft gehouden, heeft hij het leven onmogelijk
gemaakt. Een bittere verlossing, want
Gelsomina bracht hem gevoel bij. Ze doorbrak uiteindelijk zijn hardvochtigheid.
Dat trompetdeuntje van Nino Rota. Bijna tien jaar later zag ik La Strada terug. De ietwat larmoyante
Gelsomina, nog steeds even onbevangen als tien jaar geleden. Zampano, gebaseerd op een angstaanjagende
beenhouwer uit Fellini’s half verzonnen kindertijd. De charmante koorddanser
die rokend viool speelt. Richard Basehart met zijn hoge stem en zijn berekende
naïviteit. Fellini kon moeiteloos de kritiek pareren dat zijn film niet
neo-realistisch genoeg was, dat het allemaal te sprookjesachtig was, door zijn
eigen wereld door te drijven. Daar verdient hij een medaille voor artistieke
moed voor. Zijn koldereske aanpak is net een meerwaarde, een abstractie van een
universeel menselijk drama. In de greep zijn van een persoon die geen liefde
kan geven. La Strada sprak zowel de
massa als de intellectueel aan, fabrikanten wilden snoep en poppetjes maken van
Gelsomina, Fellini moest er niet van weten. Hij had sympathie voor de
volksmens, maar wist ook goed waar hij de lijn moest trekken. Hij kreeg een
Zilveren Leeuw en een Oscar voor de film.
In Bagnoregio,
een van de steden waar Fellini La Strada opnam, kon ik met de lokale kleermaker
spreken die zestig jaar geleden voor Fellini had gewerkt. Het moet nog
amateuristisch geweest zijn in 1954. Fellini die de kleermaker vroeg een cape
te maken voor Gelsomina. Een andere dorpeling maakte de vreemde moto met
aanhangwagen/leefruimte. De regisseur plukte een jongetje uit de school dat een
scene moest spelen. Hij bracht zijn Felliniaanse euforie naar het dorp, dat
tien jaar eerder zwaar geteisterd was door de oorlog. Dit wordt één van de
thema’s van de tekst waar ik aan werk. Hopelijk na de vakantie meer hierover.
maandag 2 juni 2014
Poëzie der anatomie
ADOLPH MENZEL en HARLINDE DE MOL
Ik heb Adolphe Menzel ontdekt via Géricault. De expo in het
Gentse MSK was aan de grote Theodoor gewijd, met een metershoge kopie van ‘Le Radeau
de la Méduse’. Dat werk is zo enorm dat je het niet in één oogopslag kan
vatten. Zo bekend van kunsthistorische boeken ook, dat mijn geestesoog er
meteen diagonalen op zag verschijnen. Die ingewikkelde patronen waarvan
kunsthistorici zeker weten dat de schilder ze zo bedoeld had. Al kan structuur
schoon zijn, zoals we in vorige blogposts trachtten te bewijzen, Le Radeau
spreekt meer tot de ratio dan het gevoel.
Maar in een aanpalend zaaltje lagen schetsen van negentiende-eeuwer
Adolphe Menzel. Schetsen die de armhaartjes deden rechtveren en blik glazig
maakte. Welkom Stendhalsyndroom!
Was het door zijn achondroplasie, een vorm van dwerggroei,
dat Menzel zo in de anatomie geïnteresseerd was? De schets betrof een lijk dat
men uit het water had opgevist. Een bijzonder fijne lijnvoering, met een toefje
groen. Maar dan ook niet zo fijn uitgetekend dat het klassiek wordt. Het
lichaam is omgeven door wat slordige lijnen en verder een wit vlak, alsof hij
daar net uit het papier is opgedoken. Onthutsend modern, die poëtische
drenkeling! Jammergenoeg niet meteen op internet terug te vinden. Onderstaande
link geeft een idee, maar is toch minder overtuigend dan de MSK versie.
Menzel. De kleine man met ‘professor Lecompte’ baard keek
vanachter zijn eenvoudige bril streng en treurig naar de wereld, die hem
nochtans vele vriendschappen verschafte. Hij mocht de kroning van de eerste
Duitse keizer William I op doek vastleggen. Volgens de Franse poëet Jules
Laforgue was dit ‘laarsje hoog bedekt met oneindig veel medailles van
verschillende ordes en bewoog hij zich op alle feestjes vlot als een gnoom tussen
de historische personages.’ Zijn toetreding tot de Hoge Orde van de Zwarte
Adelaar, de Pruisische ridderorde met het Maltese kruis, leverde hem een nobel voorzetsel
op. Adoph von Menzel.
De nieuwe Hoge Orde in Gent, het kunstenaarscollectief
Beeldruim, heeft een zielsverwante van Menzel in de gelederen. Harlinde De Mol.
Ander voorzetsel, zelfde thematiek. Poëtische aquarellen van anonieme nimfen,
ware het niet dat ze een gaatje hebben in hun buik met bijzonder fijn getekende
organen, die Harlinde soms ook benoemt. In andere schetsen laat Harlinde een
opgevuld zakje ik-weet-niet-wat uit die orgaantjes komen. Of wat haar. Onrustwekkend
speels. Kijkt u maar zelf maar:
https://www.facebook.com/Beeldruim/photos/a.173696759396404.34557.173679746064772/478926605540083/?type=1&theater
Beeldruim exposeert zo nu en dan in Gentse hotspots als
Huset, u kan het allemaal volgen op de grootste anatomische site, Facebook.
Abonneren op:
Posts (Atom)


.jpg)

.jpg)